Met de resultaten en aandachtspunten uit het onderzoek en geleid door een aantal stellingen, werd op het Forum van 13 oktober 2012 in vijf groepen verder ingegaan op het thema. In elk van deze groepen waren enkele jongeren aanwezig of mensen die dagelijks met jonge mensen in contact zijn. De belangrijkste punten uit deze gesprekken zijn gegroepeerd per stelling.

  • 1. Jongerenpastoraal in Vlaanderen moet zonder complexen een duidelijk evangelisch en kerkelijk aanbod durven presenteren aan de zinzoekers.

    Inderdaad, jongerenpastoraal moet een evangelisch aanbod presenteren en dat niet enkel aan zinzoekers. Alle jongeren mogen aangesproken worden en dus zijn er verschillende benaderingswijzen of trajecten nodig. Vanuit de zorg om een lage drempel mag echter niet voor vaagheid gekozen worden. Jongeren vragen om duidelijke taal en een krachtig appel. In Vlaanderen heeft de oudere generatie de neiging te vaag te zijn waardoor de boodschap bij jongeren niet overkomt. Zij hebben nood aan authenticiteit.
    De omschrijving ‘kerkelijk aanbod' roept vragen op. Jongeren identificeren zich niet met het instituut. Maar ze speuren ook daar naar authenticiteit. Wat eerlijk en echt is, is aantrekkelijk. Ook op school mag er een aanbod zijn naast de godsdienstlessen. Iets presenteren betekent dat mensen vrij zijn om er al dan niet op in te gaan. Om de diversiteit van jongeren recht te doen, is het belangrijk dat er meer dan één soort aanbod is.

  • 2. Jongeren uit kansengroepen moeten een prioritaire doelgroep zijn in de jongerenpastoraal.

    Jongeren uit kansengroepen worden best niet apart benaderd. Het woord ‘kansen' dekt trouwens veel verschillende realiteiten. Het is waar dat initiatieven in de jongerenpastoraal vaak vooral studerende jongeren trekken. Elke groep dient zich de vraag te stellen of hij wel open genoeg is, of er drempels zijn die kunnen weggewerkt worden. Het gaat dan niet enkel over geld maar ook over taalgebruik, verplaatsingsmogelijkheden, vrije tijd. Een pastoraal van nabijheid die zich niet enkel richt op gelovige activiteiten, maakt andere contacten mogelijk. Jonge mensen helpen opkomen voor zichzelf bij onrechtvaardige werkomstandigheden bijvoorbeeld, kan het evangelie zichtbaar maken voor hen.

  • 3. Diaconie is de vertrekbasis van pastoraal. Van daaruit moeten catechese en liturgie aandacht krijgen, niet omgekeerd.

    De meeste groepen waren het niet eens met deze stelling. Diaconie, catechese en liturgie vormen een geheel en zijn elk van even groot belang. Het beginpunt kan verschillen maar ze leiden tot elkaar. In de huidige reorganisatie van het kerkelijk landschap wordt de diaconie echter dikwijls vergeten. De (zondags)liturgie is meestal het vertrekpunt.
    In de bevraging gaven jongeren aan dat geloven voor hen op de eerste plaats ‘engagement' betekent. Ze zetten zich vrijwillig in voor de jeugdbeweging, voor bezoek aan bejaarden, voor natuurbescherming... Maar ze lopen niet graag met het etiket ‘gelovig' in hun dienstverlening. De ervaring van het geleefde evangelie is voor velen een weg naar verdieping en geloof. Dat geldt zeker ook voor de ervaring van gastvrijheid in een groep of parochiegemeenschap.

  • 4. Jongeren nemen graag deel aan grote evenementen. Daarom moet ook de Vlaamse Kerk meer investeren in grotere jeugdpastorale evenementen.

    Pieter Nolf gebruikte in zijn uiteenzetting het beeld van de nomadische jongerengemeenschap die in de woestijn van oase naar oase trekt. In een verkennende fase geeft dit een grote vrijheid. En die is nodig om niet afgeschrikt te worden. Een grotere groep laat intense ervaringen toe. Zo kan de kleine plussersgroep van een parochie ervaren dat geloven voor vele anderen ook iets betekent. Maar de organisatie van zo'n evenementen veronderstelt een kern van geëngageerde mensen die een aanbod doen.
    Om over geloof te praten en vrienden te maken is een persoonlijk contact in kleinere groep echter ook belangrijk. Daar wordt gemeenschap gevormd met leeftijdsgenoten en krijgen jongeren het gevoel ergens bij te horen. Vanuit die ervaring kunnen ze dan gezonden worden en zich verder engageren.

  • 5. Jongerenpastoraal moet een intergenerationeel aspect hebben. Christelijke gemeenschappen van jongeren moeten een duidelijke link hebben met de ruimere lokale kerkgemeenschap/parochie.

    Misschien zijn jongeren niet direct vragende partij aan hun parochie maar kan de stelling omgekeerd worden. De lokale gemeenschap heeft de opdracht om ruimte te scheppen voor jongeren en hun inbreng te waarderen. Vele kansen worden onbenut gelaten door een gebrek aan openheid en creativiteit. Waarom niet vragen aan de jongeren die op de WJD waren om daarover te vertellen voor iedereen? Wat wel of niet mogelijk is, heeft veel te maken met concrete personen die uitnodigen en bevestigen. Het kan daarom goed zijn om bepaalde initiatieven structureel in te bouwen. Dat kan gaan over liturgievoorbereidingen of getuigenissen maar ook over logistieke ondersteuning bij het parochiefeest of voor de website van de parochie. Hoe kunnen we als Kerk parochies voor hun verantwoordelijkheid plaatsen om open te staan voor jongeren? Op welke manier kunnen we de positieve ervaringen van samenwerking zichtbaar maken voor anderen?
    Jong én oud zijn zinzoekers vandaag. Maar de manier waarop ze dat invullen verschilt. Het is goed dat er ruimte is zodat elke leeftijd op een eigen wijze hiermee kan omgaan. Jongeren hebben andere verwachtingen over een geloofsgesprek of uitwisseling bij een Bijbelverhaal dan mensen van een andere generatie. Maar er zijn ook kansen om dingen samen te doen. Zo zijn heel wat Taizé-gebedsmomenten intergenerationeel. De jongeren zitten op de vloer terwijl wat oudere deelnemers een stoel krijgen aangeboden. Dat vraagt wat creativiteit en goede onderlinge contacten. Die netwerkfunctie in onze Kerk zal in de toekomst nog veel belangrijker worden.