Forum 8 juni 2013

Inleiding door E.H. Patrick Daly, secretaris-generaal van de COMECE

2013 werd door de Europese Unie uitgeroepen tot Europees Jaar van de Burger, ter voorbereiding van de verkiezingen voor het Europees Parlement volgend jaar.

Om mij voor te stellen zal ik eerst bezinnen over mijn eigen identiteit. ‘Burger zijn' is een belangrijk begrip voor ons. Wij zijn allemaal burgers. Persoonlijk heb ik heel veel moeite om te begrijpen wat ‘burger van Europa' betekent. Ik wil daarom aan de basis beginnen, met het fundamenteel idee van burgerschap en de elementen die uit onze eigen persoonlijke biografie komen.

Startend met mezelf

Ik kom uit Ierland, geboren in Dublin maar opgegroeid in de relatief kleine stad Sligo, in het noordwesten van Ierland, een bijzonder mooie plaats, aan zee, omringd door prachtige bergen. Het landschap van het graafschap Sligo is zo mooi dat het de allergrootste dichter uit de Engelse traditie van de 20ste eeuw, W. B. Yeats, geïnspireerd heeft. Door zijn poëzie en door zijn grote faam als dichter heeft hij de stad Sligo op de landkaart van Ierland en op de wereldkaart geplaatst. W. B. Yeats was een protestant, maar een Ier die door zijn toneelstukken en vooral door zijn poëzie enorm veel gedaan heeft voor het idee van persoonlijke nationale identiteit. Zijn begrip van de Ierse identiteit was dubbelzinnig omdat hij protestant was in een katholiek land.

Wij houden van onze geboorteplaats. Ik ben vandaag met een Mechelaar vanuit Brussel naar Antwerpen gekomen. En ik had het gevoel dat hij onderweg weemoedig naar de grote toren van de kathedraal van Mechelen keek. De Mechelaars worden ‘maneblussers' genoemd. Dit heeft iets te maken met de identiteit van de Mechelaar. Maar een Mechelaar is geen Antwerpenaar en zeker geen Brusselaar. In België heeft men een duidelijk begrip van de stad, waartoe men behoort. In mijn tijd als student in Leuven hadden de mensen uit Mechelen een eigen club, evenals de mensen uit Hasselt. Ook West-Vlamingen hadden stamcafés waar ze elkaar ontmoetten. Dat is een uiting van burgerschap, een uiting van behoren tot een bepaalde stad en een bepaalde traditie. In België heeft men verschillende dialecten. Ierland heeft dit niet in die mate. Een West-Vlaming spreekt niet dezelfde taal als een Limburger of een Antwerpenaar. Het plaatselijk accent identificeert de persoon en is een deel van de identiteit. De Belgen zijn heel trots op hun dialect. In Ierland zijn de mensen trots op hun accent. Er zijn in Ierland 32 graafschappen en elk graafschap heeft een apart accent. Bv. als iemand van Cork spreekt met iemand van Kerry, weet hij het verschil. De mensen van Cork zijn heel achterdochtig tegenover de mensen van Kerry, want de mensen van County Kerry zijn zeer sluw. Dezelfde factoren zullen ook in Vlaanderen spelen tussen steden en provincies.
Er is een groter gevoel van identiteit op nationaal vlak. Ik behoor tot het Ierse volk en ben Ier in merg en been. Een groot deel van mijn Ierse identiteit is bepaald door het feit dat mijn ouders, -ze werkten beiden in het onderwijs-, beslist hebben om thuis Iers, Gaelic te spreken. Ik vond het als jongen heel vervelend als mijn moeder bv. in een winkel met mij Iers sprak, terwijl iedereen Engels sprak, maar het is een zeer belangrijk deel van mijn identiteit, van mijn nationaal gevoel.
In de jaren '50, -zoals ook in Vlaanderen-, was het geschiedenisonderwijs enorm gekleurd door het nationale vraagstuk. Ierland was een jonge staat, opgericht in 1920, na vele eeuwen van gevechten tegen onze vijand, het Britse koninkrijk dat toevallig protestants was. Het was katholiek tegen protestant. Wij hadden in Ierland een protestantse minderheid. De stad Sligo had een protestantse burgerij en de arbeidersklasse was uitsluitend katholiek. Dit veroorzaakte spanningen. Maar het droeg bij tot het zelfgevoel, tot de identiteit.
Ik herinner mij uit mijn jeugd, de processie op sacramentsdag. In Sligo was er een grote rivaliteit tussen de dominicanen en de seculiere clerus. De bisschop had zijn processie op een bepaalde zondag en de dominicanen de zondag daarna. Maar er was ook oecumene avant la lettre nl. de dominicanen nodigden altijd de bisschop uit om het Heilig Sacrament te dragen in hun processie. De prior van de dominicanen droeg het Heilig Sacrament in de processie van de bisschop. De protestantse winkels hadden geen enkele versiering, terwijl de katholieke winkels standbeelden van Moeder Maria e.d. hadden. Men kon dus zien wie de protestanten waren. Ook dit was een deel van mijn persoonlijke identiteitsvorming.
De manier waarop wij geschiedenis leerden, was romantisch gekleurd. Het was altijd de vijand tegen de held. De Ierse mythologie evenals de poëzie van W. B. Yeats hebben daaraan een grote bijdrage geleverd. Een van de stichters van de Ierse republiek Padraigh Pearse heeft romantische poëzie in het Iers geschreven, die wij als kinderen geleerd hebben.
Zo ook met de kerkelijke gezangen. Het vormt een groot deel van onze identiteit. Bij de bezinning op dit Forum, dacht ik bij het zingen van ‘Onze Lieve Vrouw van Vlaanderen' dat er ook een Onze Lieve Vrouw van Ierland is. Er is rivaliteit tussen Fatima en Lourdes bv. Dit zijn identiteitselementen die toch belangrijk zijn.
Eén van de eerste dingen die ik als student in Leuven heb gedaan is een bedevaart te voet naar Scherpenheuvel met mijn Franstalige vrienden. Een vriend van mij, professor Luc Duerloo, publiceerde onlangs een boek over de geschiedenis van Scherpenheuvel en de rol van Scherpenheuvel in de Vlaamse geschiedenis en in de religieuze, barokke beleving van het Vlaams katholicisme.
Ik heb gestudeerd aan de universiteit van Dublin, gesticht door kardinaal Newman, een bekende Engelsman. Mijn Ierse identiteit is veranderd toen ik aan de universiteit over de Britse geschiedenis heb geleerd. De grootste duivel van de Ierse geschiedenis was Oliver Cromwell. Hij leefde tijdens het Interregnum in Groot-Brittannië, in de 17de eeuw. Hij was een puritein, protestant, verantwoordelijk voor de executie van Karel I van Engeland en hij was lord protector. Hij is Ierland binnengevallen met veel bloedvergieten. Zo werd Cromwell de duivelse figuur in de Ierse geschiedenis. Eeuwen lang en zelfs in de volksmond in het begin van de 20ste eeuw was er niets erger dan dat een moeder de vloek van Cromwell over haar kind uitsprak. ‘The curse of Cromwell on you.' Aan de universiteit leerde ik dat Cromwell een geleerde uit de renaissance was. Hij was een goed christelijk man, die een held is in de Engelse geschiedenis. Ook dat is een nieuw element in mijn Ierse identiteit.
In 1975 kreeg ik een studiebeurs van de Belgische regering voor de universiteit van Leuven. Ik wist relatief weinig over België. Ik wist waar het lag en dat Boudewijn de koning was. Vermits ik mij interesseerde in de geschiedenis van de Kerk wist ik wie kardinaal Suenens was, een belangrijke figuur met wie ik enkele jaren later, heel even (enkele seconden) heb kunnen spreken. Leuven had voor mij een heel belangrijke betekenis omdat het in de geschiedenis van Ierland een grote rol gespeeld heeft. De grootste Ierse geschiedkundige, de franciscaan Luke Wadding heeft er lang gewoond. In de 18de eeuw waren in Leuven drie Ierse colleges. Er is nog steeds de Ierse Predikherenstraat. De dominicanen hadden een apart college. Tot 20 jaar geleden was er ook een Iers college op het Pater Damiaanplein. Er was een college voor de seculieren in de Vital Decosterstraat. Dit zijn belangrijke Ierse banden met Leuven. Ik voelde mezelf in een stroom van een lange en edele traditie van vriendschap en van steun tussen België en mijn eigen land. Een Belgische bijdrage tot onze geschiedenis. Het feit dat zoveel Ierse priesters in het verleden hun opleiding in Leuven hebben gehad.
Ik heb in Leuven middeleeuwse geschiedenis gestudeerd en dan gedoctoreerd in 1980. In die tijd zocht ik logement. Mijn Frans was toen niet heel goed en ik kende geen Vlaams. Maar ik had van in het begin Vlaamse vrienden die mij voorwaarden oplegden. Als ik bij hen kwam wonen, moest ik binnen het jaar Nederlands leren. Door het feit dat ik in Leuven in een gemeenschapshuis woonde, heb ik snel Nederlands geleerd. Maar ook door de werken van Marnix Gijsen te lezen. Het is fantastisch dat ik nu toevallig in de Meeüssquare in Brussel woon, waar Marnix Gijsen als baron Goris op het einde van zijn leven heeft geleefd. Er staat een mooie buste van baron Goris in de Meeüssquare.

Mijn opleiding maakt ook deel uit van mijn identiteit. Maar mijn geloof als rooms-katholiek, is waarschijnlijk naast mijn nationaliteit, het belangrijkste deel van mijn identiteit. Mijn ouders waren zeer pratikerende katholieken. Ze gingen dagelijks naar de mis. Wij baden thuis de rozenkrans. Maar verder waren ze niet erg geëngageerd in het kerkelijk leven. Voor hen was de Kerk grotendeels, -en dat is in onze cultuur heel belangrijk-, een soort ‘spiritual service station'. Men ging naar de mis, men leefde een christelijk leven, maar het gemeenschappelijke deel van een parochiebestaan was er niet sterk. Dit vanwege de vele mensen die toen naar de kerk gingen. Tot enkele jaren geleden was in Ierland de grootste zorg van een pastoor de parking leeg te krijgen na de mis van 10 uur om plaats te maken voor de mensen van de mis van 11 uur. Alles was missa brevis. Soms zelfs geen mooie missa brevis.
Mijn rooms-katholiek zijn was bepaald door niet protestant te zijn. Wij definieerden onszelf als katholieken tegenover de protestantse religie van onze grote buur nl. Engeland. Maar ook tegenover een minderheid in ons eigen land.

Sinds mijn priesterwijding ben ik twee jaar onderpastoor en twintig jaar pastoor geweest, tot januari 2013. Toevallig was ik pastoor in Groot-Brittannië. Dit kwam door de vriendschap met aartsbisschop Maurice Couve de Murville, na een kennismaking in Leuven. Ik heb twintig jaar gewerkt in de Britse provincies. Eerst in een vrij oud industrieel gebied, Birmingham en de laatste 14 jaar in de stad Wolverhampton. Mijn parochiekerk daar is de oudste openbare plaats van de katholieke cultus in Groot-Brittannië. Het is een kleine parochiekerk, de parochianen zijn heel eenvoudige mensen. Het was voor mij een heel belangrijke ervaring om met mensen samen te werken en vanuit het geloof aan een gemeenschap te bouwen.

Burgerschap begint met relaties tussen een stad, dorp of straat, burgerlijke deugden

Als mensen in onze samenleving, -en dat geldt ook voor België-, tot een gemeenschap behoren, is dit meestal de parochie. De parochie kan een belangrijke school zijn voor wat wij ‘burgerlijke waarden' zouden noemen. ‘Civic values'.
Toen ik naar de COMECE kwam begin januari 2013, wist ik dat dit het jaar van de burger was. Daarom heb ik aan de mensen met wie ik samenwerk gevraagd om samen te bezinnen over het begrip burgerschap. Deze mensen komen uit verschillende landen, met een eigen identiteit die, zoals bij iedereen, gevormd is door levenservaring.
Wij begonnen met de vraag ‘wat is een burger?' (civitas, citoyen, citizen). Het begrip ‘stad' komt herhaaldelijk terug. In de Bijbel wordt de stad voorgesteld als de ideale samenleving. Voor het joodse volk dat veel reisde en op pelgrimstocht was, dat voor een groot deel van zijn geschiedenis een nomadenbestaan leidde, was de stad de ideale manier om samen te leven. Meestal was de stad omringd door een muur. Het is een gemeenschap die samenwoont, verdedigd tegen de vijand. Cf de term burg-burcht. Het zijn mensen die een eigen identiteit hebben in wat ze samen hebben en delen, in de aspiraties en de dromen die ze hebben. Maar ze definiëren zich ook tegenover de anderen, die niet behoren tot hun gemeenschap. Dit is een belangrijk element voor het idee van ‘Europees burgerschap'. Er zijn miljoenen mensen, vreemdelingen, die binnen de Europese gemeenschap wonen, maar die niet dezelfde rechten hebben als wij.
Eén van de grootste deugden van de joodse samenleving was de gastvrijheid. Het is een grote deugd die deel uitmaakt van het burgerschap. Burgerschap is ook vrijgevig zijn. Het is niet iets wat wij voor onszelf houden.
Wat is onze relatie met onze stad? Bv. de stad Antwerpen. De sinjoren zijn trots op hun stad: de mooie gebouwen, de geschiedenis van de haven, het prachtige station. Dit alles brengt bij tot de traditie, de identiteit van de stad. Ook het accent van de mensen. De dichters en schrijvers die over de stad schrijven.
Behoren tot een stad was meestal bepaald door behoren tot een voetbalploeg. Dat heb ik gezien in Groot-Brittannië. Mijn kerk lag letterlijk in de schaduw van het voetbalstadion. Het gevoel om tot de ploeg te behoren, de teleurstelling die men bijna kon tasten in de stad, als ze verloren hadden of de trots als ze gewonnen hadden. Bij de meeste voetbalploegen komen de spelers nu niet meer uit de stad, maar uit andere landen en ze worden betaald. De band, de stedelijke trots die tot voor kort heel belangrijk was in het behoren tot een voetbalploeg is door het feit dat voetbal een entertainment business geworden is, gedeeltelijk verdwenen. Het behoren tot een voetbalploeg is niet meer hetzelfde als 30 à 40 jaar geleden. Het Ierse voetbal heeft een grote bijdrage geleverd aan de identiteit van de verschillende graafschappen van Ierland. De katholieke clerus heeft het Gaelic-football enorm gesteund omdat de spelers uit de parochies kwamen. Ze vertegenwoordigden de graafschappen in Dublin bij ‘the All-Ireland Final'. Recent is ook rugby heel belangrijk, een Brits spel, gespeeld door de Ieren. De grote wedstrijd tussen Engeland en Ierland werd gespeeld in het Gaelic-football stadion van Dublin, dus op ‘heilig land', op ‘gezegend land'. Het grote vraag was of wij, Ieren, al dan niet ‘God save the Queen' konden zingen? In een geste van grote gastvrijheid heeft de Ierse natie beslist om dit lied te zingen. Een paar jaar later, -en ik bewonder haar hiervoor-, is koningin Elisabeth naar Ierland gekomen. Dit was een groot moment van verzoening.
Zo ook voor onze samenkomst in de context van de Europese Gemeenschap. De Europese Gemeenschap is een mozaïek. Stukken van verschillende kleuren die samen komen en die op het einde een eenheid vormen.

Burgerschap van ons land

Wij voelen ons in de eerste plaats burgers van een stad, van een streek. Maar wij zijn ook burgers van een land. Op onze reispas met de kleur bordeaux als kleur voor de Europese reispas staat ‘burger van Ierland', ‘burger van het koninkrijk België'. Het eigen land blijft vermeld. Zelfs binnen de Europese Gemeenschap is onze nationale identiteit van heel groot belang. Wat betekent Belgisch burger te zijn? In België is identiteit bepaald door cultuur, door taal, door het feit dat er twee verschillende gemeenschappen zijn die samen wonen in een land dat kunstmatig is uitgestippeld in 1830. Er zijn in België waarden die men deelt en andere waarden waarover discussie is. Wij gebruiken het woord burger ivm. onze relatie met het land waarin wij wonen: Franse burger, Italiaanse burger, Belgisch burger enz. In België is dit omwille van de verschillende talen, omwille van twee verschillende rijke tradities die een rol hebben gespeeld in de geschiedenis van het land, een twistpunt.
Wij houden van ons land. In het buitenland beschrijven wij onszelf als ‘ik ben Belg, ik ben Ier'. Als wij in de straten van New York een Amerikaan tegenkomen, zeggen wij niet dat wij Europeaan zijn, maar wel dat wij Ier of Belg zijn. Dat is voor mij het grote probleem met het begrip ‘Europees burgerschap'. Wij gebruiken dit niet om onszelf te beschrijven. Er is nog veel ontwikkeling nodig om een emotionele relatie, een relatie van toebehoren met Europa te hebben, om samen achter een project te staan in onze relatie met Europa.

Burgerschap van Europa

Toch heeft Europa een grote en groeiende rol in ons dagdagelijks leven. In het Verdrag van Maastricht heeft de Europese Unie voor de eerste keer het begrip burgerschap ingevoerd. Men probeert ons te overtuigen dat wij burgers van Europa zijn.

Katholiek, christen, religieus perspectief van het burgerschap

Hoe gaan wij als Kerk een antwoord geven op deze belangrijke vraag? Welke rol moeten wij spelen in de ontwikkeling en de verdieping van het Europees project?

Mgr. Cardinale, pauselijke nuntius in Brussel en grote voorstander van de Europese beweging heeft gepleit voor een groter kerkelijk engagement in het Europees project. Het Europees project is geboren uit de pijnlijke ervaring van oorlog, van vijandigheid. Het eerste doel van de Europese Gemeenschap was om oorlog in de toekomst te vermijden, om vrede te stichten.  De stichters van de Europese Unie zoals Monnet, Schuman, Adenauer, de Gasperi wisten dat een oorlog begint over grondstoffen. Daarom hebben ze eerst de Europese Unie van Kolen en Staal opgericht. In de economie moeten wij mekaar helpen eerder dan mekaar tegen te werken.

In het begin van de Europese Unie was er het idee van solidariteit. Maar er was ook grote eerbied voor de nationale identiteit van de landen die behoorden tot de Europese Gemeenschap. Twee belangrijke principes dus, subsidiariteit dwz. respect voor de tradities van een land zowel voor de eettraditie of de godsdienstige traditie als voor de manier van regeren, of voor de rechterlijke traditie. En het idee van solidariteit die over de grenzen heen gaat. Niet alleen over de nationale grenzen, maar ook over de grenzen van de klassenverschillen. Dit is een zeer belangrijk socialistisch inzicht in de stichting van de Europese Unie. Solidariteit en subsidiariteit waren belangrijke elementen in een pauselijke encycliek van Pius XI over het sociale vraagstuk: Quadragesimo Anno, 40 jaar na het eerste grote sociale document Rerum Novarum van Leo XIII op het einde van de 19de eeuw. De ideeën van solidariteit en subsidiariteit zijn voor de katholieke Kerk altijd fundamentele elementen van haar sociale leer geweest.

Door de inspiratie van mgr. Cardinale hebben de bisschoppenconferenties van de landen van de toenmalige Europese Gemeenschap beslist om een commissie op te richten van bisschoppen die zich zouden bezighouden met de ontwikkeling van het Europees project, binnen de context van de groeiende Europese Unie. Het waren oorspronkelijk tien landen, dan twaalf en uiteindelijk zijn 27 bisschoppenconferenties vertegenwoordigd in de COMECE (vanaf 1 juli 28 leden). België is vertegenwoordigd door mgr. Jean Kockerols. De COMECE vergadert twee maal per jaar waarbij een thema wordt behandeld dat niet alleen op Europees niveau belangrijk is, maar waaraan ook de nationale bisschoppenconferenties iets kunnen doen. In november bij onze plenaire zitting bestuderen wij het fenomeen van migratie binnen en buiten de Europese Gemeenschap. Dit is ook een grote zorg voor de H. Stoel.

Wij, als katholieken, zijn burgers van een land dat deel uitmaakt van de Europese Gemeenschap. België heeft heel wat economische belangen bij het verder bestaan van de Europese Gemeenschap. Een belangrijk deel van de Brusselse economie komt van de Europese instellingen en al de andere zaken die naar Brussel aangetrokken worden door het bestaan van het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Europese Raad. Maar dat is eigenbelang.
Een belangrijk principe van de katholieke, sociale leer is het belang van de andere, vooral het belang van de zwaksten in onze eigen samenleving en ook daarbuiten. Belangrijk op dit moment is dat wij die sociale dimensie van de economische politiek niet vergeten. Als secretaris-generaal van de COMECE geloof ik dat wij de bisschoppen moeten helpen om hun stem te laten horen over de ‘collateral damage' van het economisch beleid. De politici zeggen ons dat zodra de economie hersteld is, alles beter zal worden. Maar er zijn veel vragen over hoe ze dat gaan doen. Een grotere vraag is of dit eigenlijk wel mogelijk is.
Naar mijn inzicht is het tijd om aan iedereen te zeggen dat ze in de goede oude tijd geleefd hebben. Wij hebben in Europa een niveau van welvaart bereikt dat geen enkel precedent heeft. Het is een welvaart waarvan het grootse deel van de burgers genieten. Wij genieten ook van de vrijheden die de Europese Gemeenschap gegeven heeft. Bv. het bestaan van Ryanair. Het is een Europees bedrijf, dat het leven van de doorsnee Europeaan enorm vooruit gebracht heeft. Men vliegt van Charleroi naar Vilnius met een vliegtuig onder Ierse vlag en met piloten en hostessen uit alle landen. Dit zijn symbolen van het feit dat wij leven in een verenigde markt, in een verenigde gemeenschap. Maar wij mogen ook niet vergeten dat de mens niet alleen maar een economisch wezen is, maar ook een sociaal leven heeft, met een nationale identiteit, met dromen voor zichzelf en voor de kinderen. Wij, katholieken, dromen over de stad Jeruzalem, maar ook over een samenleving waar rechtvaardigheid is, over een gemeenschap van waarden. Eén van de roepingen als Kerk, internationaal of nationaal of plaatselijk, is herhaaldelijk aan die waarden te herinneren, en ook diepgang te geven aan die waarden.
Wat betekent solidariteit? Men moet steeds rekening houden met hoe de liefdadigheid beleefd wordt door de ontvanger ervan. Cf. de uitdrukking ‘as cold as charity'. Wij, in Noord-Europa hebben een groot solidariteitsgevoel met de Spanjaarden. Er is grote werkloosheid onder de jongeren. De meesten van ons kennen Spanje heel goed van vakanties. Wij zijn er graag, de Spanjaarden zijn vriendelijk, er is de zon, een mooi land met een rijke traditie. Ik ben, samen met de CCEE, in Spanje geweest om de ‘Social Days' van volgend jaar voor te bereiden. Op instructies van mijn baas, kardinaal Marx van München moest ik veel aandacht besteden aan Spanje. Maar de Spanjaarden zeiden: ‘wie zijn jullie om ons de les te lezen?'. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Wij moeten voorzichtig zijn met het idee van solidariteit. Wij zouden meer moeten nadenken over de betekenis ervan.

De vastentijd is voor ons een tijd waar wij ‘neen' tegen onszelf zeggen. ‘Wij eten geen pralines'. Wij bidden iets meer. Wij staan misschien een kwartiertje vroeger op. Wij eten geen vlees. Sommigen pakken de vastentijd radicaal aan, maar iedereen doet wel iets. Wij geven iets weg. Bij de verhuis vanuit mijn pastorie in Engeland naar België in een relatief klein appartement moest ik veel weggeven. Dat is een loutering, dat is afstand nemen van bezit. Dat doet ons deugd. ‘Spring cleaning'.
Naar de toekomst toe in de Europese Gemeenschap zal het jarenlang ‘vasten' worden. Wij moeten die cultuur van vasten leren, leren leven met minder en minder verspillen. Dit is een belangrijke boodschap die wij als christenen, katholieken kunnen delen met onze broeders en zusters die dat niet doen. Die niet weten hoe wijs het is te vasten, weg te schenken, te leven met minder, openbaar vervoer gebruiken eerder dan de wagen te nemen.
Het zal in de toekomst een grote uitdaging zijn voor de Europese Gemeenschap om te leven met minder. Met minder jonge mensen. Meer bejaarde mensen. Met duurdere grondstoffen. Met minder aanbod in de grootwarenhuizen. Aardbeien in januari? Wij als christenen geloven in een zekere harmonie met de seizoenen. Onze liturgische kalender is bepaald door de seizoenen. En ook - waarom niet - wat wij op tafel hebben, aardbeien in juni.

 

Uiteindelijk, misschien nu niet, maar in de toekomst, zullen de mensen trots zijn op Europa en haar geschiedenis. Want wij hebben veel samen gedaan. Geen oorlog sinds 70 jaar, een enorm hoog niveau van praktische samenwerking tussen de verschillende landen. Wij reizen naar andere landen. Wij leren de taal van andere mensen. Het Engels is een wereldtaal geworden en het vergemakkelijkt menselijk contact. Wij hebben nog veel te doen, maar wij mogen niet vergeten wat wij gedaan hebben.
Voor onze katholieke en christelijke identiteit is de geschiedenis van groot belang. Wij zijn trots op onze gebouwen, op onze kunst. De Vlaamse kunst heeft enorm veel bijgedragen aan de katholieke en christelijke identiteit. Veel van de allergrootste kunstwerken van onze christelijke traditie werden geschilderd in Antwerpen. Ons beeld van Jezus bv. is gevormd door o.a. van Dijck en Rubens.
Wij kunnen op een vrijgevige, open manier bijdragen tot de toekomst van Europa. Door ons engagement bijdragen aan de beschaving, aan de politieke cultuur. Maar wij beginnen plaatselijk, in de parochies en als die gezond zijn, zal ook de Europese Gemeenschap gezonder worden.