Forum 31 mei 2008 - Inleiding door Hans Van Crombrugge, Docent Hoger Instituut Gezinswetenschappen Brussel

Het is de bedoeling om kritisch te kijken naar wat vandaag onder opvoedingsondersteuning verstaan wordt en om tegelijkertijd een aantal andere accenten te leggen.

Opvoedingsondersteuning is een verzamelnaam voor allerlei activiteiten die het opvoedingsproces in het gezin ondersteunen en het welbevinden van gezinsleden kunnen verbeteren. Opvoedingsondersteuning is iets beperkter dan gezinsondersteuning. Gezinsondersteuning betreft heel het gezin, opvoedingsondersteuning richt zich specifiek naar de ouder-kindrelatie. Gezinsondersteuning omvat alle maatregelen en voorzieningen om het welzijn van gezinnen en gezinsleden te bevorderen.

Definitie
Beleidsmatig verstaat men onder opvoedingsondersteuning ‘...het geheel van (beleids)maatregelen, voorzieningen en activiteiten die erop gericht zijn de mogelijkheden van primaire opvoedingsmilieus aan te spreken, te verrijken of te optimaliseren, teneinde aan kinderen en jongeren optimale opvoedings- en ontwikkelingskansen te bieden'.

Drie mogelijke functies van de opvoedingsondersteuning
Een curatieve-hulpverleningsfunctie, een preventieve functie en een verrijkende functie.

Curatieve-hulpverleningsfunctie: Het aanbieden van gezinsgerichte pedagogische hulpverlening. Men werkt met gezinnen die in een problematische opvoedingssituatie (POS) terechtkwamen en behoefte hebben aan een geïndividualiseerde begeleiding van het opvoedingsproces.
De meeste mensen denken dat opvoedingsondersteuning te maken heeft met problemen tussen ouders en de kinderen. Alle hulp die geboden wordt bij het oplossen van die problemen is opvoedingsondersteuning. Het gaat over het begeleiden van ouders in de brede zin nl. ook pleegouders, adoptieouders, andere opvoeders in gezinsvervangende contexten.

Preventieve functie: Bij de preventie van opvoedingsproblemen werkt men vooral met gezinnen waar de opvoeding onder druk staat van risico- of stressfactoren. Doordat de situaties en de problemen sterk verschillen, is hier meestal een aanbod 'op maat' nodig, dat men individueel of in groep met de gezinnen uitwerkt. Dergelijke programma's leggen de nadruk op het aanspreken van de opvoedingscompetenties en de positieve mogelijkheden in de gezinnen, met het oog op 'empowerment'.
De meeste opvoedingsondersteunende initiatieven zijn preventieve initiatieven, die erop gericht zijn om allerlei mogelijke problemen te voorkomen of als er al problemen zijn om de gevolgen ervan zo snel mogelijk aan te pakken.
80% à 90% van het budget gaat naar het curatieve. Het preventieve, dat gericht is op een veel grotere groep krijgt veel minder.

Verrijkende functie: Wie de verrijkende functie beklemtoont, gaat niet zozeer uit van problemen, maar van de sterke kanten en mogelijkheden van de gezinnen. Men speelt in op de opvoedingsvragen van de ouders en wil hun opvoedingscompetentie vergroten. Men richt zich tot de brede groep van gezinnen waar de opvoeding niet noemenswaardig onder druk staat.
De verrijkende functie is de echte betekenis van opvoedingsondersteuning. Men benadrukt dat opvoeden iets van alledag is. Dat mensen veel mogelijkheden en capaciteiten hebben, maar dat opvoeden altijd beter kan, dat het kan verdiept, verruimd worden. Men sluit aan bij de kansen die mensen hebben en men wil die kansen vergroten. Men spreekt van ‘enrichment', van ‘family enrichment'.
Deze verrijkende functie is de meest verwaarloosde functie. Het beleid is de laatste decennia sterk bezig met vooral preventieve en curatieve opvoedingsondersteuning. De initiatieven die reeds veel vroeger bestonden en die eerder opgevat kunnen worden als opvoedings- of gezinsverrijking zijn op de achtergrond verdwenen.

Van volwassenenvorming en verenigingswerk naar therapie en preventie

Vandaag
Het beleid legt nu vooral de nadruk op preventie en hulpverlening. De logica is problemen aanpakken, oorzaken van problemen onderkennen, problemen voorkomen. Het ouderschap wordt gedefinieerd in termen van competenties noodzakelijk om problemen te voorkomen of op te lossen. Welke inzichten en vaardigheden moeten mensen hiervoor hebben? Opvoedingsondersteuning is hier gericht op het bijbrengen van die inzichten en vaardigheden. In die context is het begrijpbaar dat men tegenwoordig spreekt over ‘goed genoeg' ouderschap. Men werkt vanuit een deficitmodel: wat missen ouders? De methode is doorgeven van informatie, het inoefenen van vaardigheden. De context is de gezondheids- en welzijnszorg. Het is niet toevallig dat men gezin koppelt aan welzijn en men daarom op een bepaalde manier met gezinnen omgaat.

Geschiedenis
Opvoedingsondersteuning werd vroeger opgevat als oudervorming. Oudervorming was een vorm van volwassenenvorming. Illustratief hiervoor is dat in de jaren '50 en '60 ouderschapsvorming één van de hoofdstukken in de handboeken voor volwassenenvorming was. Dat is nu verdwenen. Het doel was het verrijken van het gezinsleven en het ouderschap, waarbij men niet vertrok van problemen maar eerder van ‘idealen' inzake ouderschap en gezinsleven. Men zou hier kunnen spreken over de ‘roeping' van het ouderschap. Bv. prof. Kriekemans (gezinspedagogiek) is heel zijn leven bezig geweest met dat soort opvoedingsondersteuning. Hij was, tijdens de Tweede Wereldoorlog, actief binnen de vereniging ‘Familieleven'. Deze vereniging organiseerde voordrachten, het was een succesvol initiatief. Hij heeft nadien ook veel gewerkt voor wat nu de Gezinsbond is.
De methode van oudervorming was mensen samen te brengen en over de mogelijkheden/idealen van gedachten te wisselen. De context waren verenigingen die een ruimere opdracht hadden dan louter opvoedingsondersteuning (zuilen). Meestal waren het vrouwenverenigingen die zich hiermee bezig hielden (maar ook samenwerkingsverbanden over verenigingen heen: bijv. gezinswerking van de landelijke beweging).

Ontwikkelingen
In de jaren '70 en '80 krijgen we allerlei ontwikkelingen (die niet allemaal in dezelfde richting wijzen).
Eén duidelijke ontwikkeling is dat men zich afvraagt of de oudervorming als volwassenenvorming wel effect heeft, of het niet efficiënter kan. Bv. de Gordontrainingen. Gordon en Rogers zijn de kampioenen van de efficiëntie. Waarom 2 jaar lang samen zitten, wat men op tien avonden kan doen? Ook vanuit andere stromingen binnen de psychologie heeft men dergelijke trainingen. Men spreekt niet voor niets over ‘parent effectivity training',‘effectief ouderschap'.
Een andere ontwikkeling als reactie op dit soort trainingen zijn de zelfhulpgroepen, ook van ouders die met allerlei problemen te maken hebben. Men reageert tegen de trainingen waarin de ouders en de gezinnen zichzelf niet erkend voelen. In die trainingen is er een deskundige die hen allerlei vaardigheden en inzichten bijbrengt, maar hun eigen verhaal vinden ze er niet in terug. De eigen situatie komt niet of onvoldoende aan bod. Ouders en gezinnen gaan zichzelf organiseren, vaak met een heel anti-wetenschappelijke houding in de zin van ‘zeker geen deskundige'. (Lotgenoten ipv medeleerlingen, gesprek en actie ipv training.)
Een ontwikkeling die vooral de laatste jaren de media haalt is de no-nonse opvoeding (gezond verstand ipv wetenschap). Bv. Volgens Furedi is het voor ouders juist zo moeilijk omdat er zo veel informatie wordt doorgegeven, ze voortdurend bestookt worden met nieuwe inzichten, allerlei opvoedingsdeskundigen hen zeggen wat ze moeten doen, zodanig dat ze niet meer weten wat te doen, niet meer durven betrouwen op hun gezond verstand.

Een aantal toekomstperspectieven

Herontdekken van initiatieven ivm gezins- en opvoedingsondersteuning
Men zou opnieuw op zoek moeten gaan naar modellen van verrijkende opvoedingsondersteuning en daarbij eerst kijken naar bestaande initiatieven en hoe die kunnen ondersteund worden.
De kern van opvoedingsverrijking is het samenbrengen van mensen, waarbij de opvoeding uitdrukkelijk gezien wordt als een gemeenschappelijke aangelegenheid ‘sensus communis' ‘common sense'. Het is geen privé-aangelegenheid, evenmin een aangelegenheid van wetenschappers. Opvoedingsondersteuning zou vanuit de samenleving moeten gebeuren. Bij de gezinsverrijking vertrekt men niet vanuit de inzichten van de wetenschap maar vanuit de relevante ervaringen en gebeurtenissen van de mensen zelf (wat niet wil zeggen dat er geen plaats kan zijn voor opvoedingswetenschappelijke inzichten).
Het doel is niet zozeer te verbeteren in de zin van efficiëntie. Het doel is de leefruimte van mensen verdiepen, verrijken, vergroten waarbij men niet uitgaat van een deficitmodel (wat bij de preventie gebeurt) maar wel van een groeimodel.
De methode zou een gesprek moeten zijn, rond een inhoudelijk aanbod, geen ‘praatbarak' waar men mensen gewoon maar samenbrengt.
De inhouden zijn: de feitelijke situatie, de reële mogelijkheden van mensen en de idealen. De idealen die mensen rond opvoeding hebben, komen nu niet of nauwelijks ter sprake. De ‘trage vragen' (Kunneman) zouden aan bod moeten komen. Eigen aan de preventieve en curatieve opvoedingsondersteuning zijn ‘snelle vragen'. ‘Er is een probleem en dat moet opgelost worden'. Op trage vragen is er niet zo direct een antwoord. Existentiële vragen - vragen naar wat men waardevol en zinvol vindt in de opvoeding - hebben niet alleen te maken met effect. Bv. als men zegt dat kinderen niet gewelddadiger worden door gewelddadige games te spelen, zal ik als ouder misschien nog altijd dergelijke games verbieden en zoeken naar zinvollere manieren van spel.
De context waarin die verrijking zou gebeuren is het gezinsleven, het proces dat mensen doormaken en de ontwikkeling van kinderen en ouders, waarbij dergelijke gezinsverrijking best aansluit bij sleutelmomenten, overgangsmomenten.

Voorbeelden van gezinsverrijking
Vormingswerk in verenigingsverband bv. Gezinswerking van de Landelijke Beweging.
Gezinsgroeperingen bv. Gelovige Gezinsgroepen.
Informele basisgroepen bv. Anseremme-groep.

Een inspirerend praktijkmodel
Een inspirerend praktijkmodel naar de toekomst toe is het Amerikaanse ‘Family Clusters' (Sawin). Het zijn letterlijk gezinsgroepen ontstaan uit de zondagsscholen. Inspirerend is dat gezinnen maandelijks een dag in een weekend of zelfs een heel weekend samenkomen. De inhouden van die weekends worden besproken met de mensen zelf. Er is een begeleider die vraagt waarrond men graag wil werken en die op basis daarvan een voorstel doet waarbij voortdurend wordt onderhandeld. Typisch aan dit model, en daarmee wijkt het af van het model van de gezinsgroepen, is dat men de kinderen uitdrukkelijk erbij betrekt. Een groot deel van de activiteiten van Family Clusters heeft niets te maken met vorming (nooit mag meer dan de helft van de tijd naar formele vorming gaan), de verrijking zit in het samenzijn, samen eten, samen ontspannen. Men oefent geen rollenspel, zoals bij trainingen gebeurt. Het rollenspel gebeurt in de praktijk zelf. De kern van de zaak is gezinnen ondersteunen, niet door ze in contact te brengen met allerlei inzichten en vaardigheden, maar door de gezinnen op de eerste plaats samen te brengen, zodanig dat ze er niet alleen voor staan. Want de vraag die ouders vooral hebben is om samen te kunnen profiteren van ervaringen van andere gezinnen. Dat ziet men ook in heel wat hulpverleningcontexten nl. de belangrijkste steun die men kan geven, ook aan bv. pleeg- of adoptieouders, is deze mensen samen te brengen om ervaringen uit te wisselen, geen vormingsavond.

Literatuur

  • Van Crombrugge, H. & L. Vandemeulebroecke (2002). Oudervorming door gesprek. Invalshoeken voor opvoedingsondersteuning in sociale netwerken. In: L. Vandemeulebroecke, HVC, J. Janssens & H. Colpin (Eds). Gezinspedagogiek. Deel 2. Opvoedingsondersteuning. (pp. 71-94). Leuven: Garant. (Met verwijzingen naar verdere literatuur terzake)