Inleiding

Alexis Dewaele, pycholoog van opleiding, werkt voor het Steunpunt Gelijkekansenbeleid en zijn belangrijkste onderzoeksthema's zijn de maatschappelijke positie van oudere holebi's en de sociale netwerken van holebi's. Hoe zitten deze netwerken in elkaar? Wat is de rol van de familie? Wat is de rol van vriendschap?

Het Steunpunt Gelijkekansenbeleid is een samenwerking tussen twee universiteiten, de UAntwerpen en de UHasselt. Hier doet men vooral beleidsondersteunend onderzoek. Er zijn 13 steunpunten in Vlaanderen. Eén per Vlaams beleidsdomein. Dat van het Gelijkekansenbeleid is het jongste en bestaat nog maar 5 jaar. De thema's die men onderzoekt zijn: gender of het vrouwenthema, etniciteit, leeftijd en seksuele voorkeur. Het is ook belangrijk dat er vaak kruispunten tussen die verschillende thema's worden gezocht.

Alexis Dewaele werkt voor de onderzoekscel holebi's waar men in eerste instantie onderzoek doet. Men verzamelt experten die in Vlaanderen met het thema bezig zijn en met wie men twee maal per jaar vergadert. Men heeft ook contact met het holebiverenigingsleven en met mensen van het beleid. Er worden onderzoekersdagen georganiseerd en op het einde van het jaar een Europees congres. Men verspreidt nieuwsbrieven en men bouwt een website uit nl. http://www.steunpuntgelijkekansen.be/ .

Historisch perspectief

Dit historisch perspectief is belangrijk om een aantal zaken te situeren. Het geeft inzicht in hoe holebiseksualiteit zich doorheen de geschiedenis heeft voortgezet en geëvalueerd werd.

Een eerste studie naar homoseksualiteit vindt men terug in de geschriften van de Griekse arts Soranus in de 2de eeuw. Hij bekeek homoseksualiteit als het symptoom van een corrupte ziel. Hij zag het als een ziekte. Tegelijkertijd veroordeelde hij homoseksualiteit, zowel bij mannen als bij vrouwen, niet. Volgens hem was dit aangeboren en konden deze mensen er niets aan doen. Maar het was verre van een positieve benadering.
In 1595 doet de Franciscaanse monnik Francisco Pareja bij de Timuqua-indianen een soort eerste onderzoek naar homoseksualiteit. Aan vrouwen vroeg hij: Have you acted as if you were a man? Aan mannen vroeg hij: Have you had intercourse with another man or have you gone around trying out or making fun in order to do that? Aan jongens vroeg hij: Have someone been investigating you from behind? Dergelijke vraagstelling gebruiken wij vandaag niet meer maar het is wel een mooie illustratie van hoe men er vroeger tegen aan keek.
Een andere publicatie die binnen deze context belangrijk is, is die van John Boswell (1980): ‘Christianity, social tolerance and homosexuality'. Die geeft een uitgebreid overzicht van hoe homoseksualiteit in de vroege oudheid werd benaderd vanuit de Kerk. Een bijzonder perspectief hierin is dat hij de stelling ontkracht dat de Kerk, zoals tegenwoordig vaak in de media gebeurt, altijd een zeer negatieve visie had. Het is een indrukwekkend werk waar 10 jaar studie aan vooraf ging.
In de 19de eeuw worden voor de eerste keer een hele reeks termen in publicaties vernoemd die aangeven wat homoseksualiteit is: paederastia, lesbianisme, sodomy, mannerliebe, uranisten, inversie...
Begin 20ste eeuw is er een eerste kentering en probeert men op wetenschappelijk vlak het thema positief te benaderen. Een eerste belangrijke naam is Magnus Hirschfeld (einde 19de eeuw). Hij wou vanuit de wetenschap de vijandigheid ten opzichte van homoseksualiteit wegwerken. Een andere belangrijke naam is Ellis die de eerste Engelstalige publicatie daarover schrijft. Hij noemde het seksuele inversie. Sigmund Freud heeft heel wat geschreven over homoseksualiteit. Hij kaderde dit onder seksuele perversies. Nochtans sprak ook Freud er geen morele veroordeling over uit.
In de 2de helft van de 20ste eeuw zet zich voor het eerst een echte normalisatie door t.o.v. het thema binnen de wetenschap. Een eerste heel belangrijk onderzoek is dat van Alfred Kinsey. Een tweede belangrijke onderzoekster is Evelyn Hooker.

De Kinsey-onderzoeken dateren van 1948 en 1953. Zij waren zeer belangrijk voor de methodologie want Kinsey was de eerste die afstapte van het idee dat men ofwel homo ofwel hetero was. Hij gebruikte een schaal met aan de ene kant de heteroseksuele pool en aan de andere kant de homoseksuele pool en binnen die twee polen is er een heel grote diversiteit aan hoe de mensen dat zelf invullen. Zijn steekproef was indrukwekkend. Hij heeft 20 000 mensen zeer uitgebreid bevraagd. Hij heeft veel kritiek gekregen op zijn methodologie, gedeeltelijk terecht. Maar de cijfers waarmee hij op dat moment buitenkwam veroorzaakte een enorme schokgolf in het Amerika van toen. Niet alleen trouwens m.b.t. homoseksualiteit, maar in de eerste plaats m.b.t. wat hij zei over de vrouwelijke seksualiteit.
37% van de mannen en 20% van de vrouwen had ooit een homoseksuele ervaring gehad.
13% van de mannen en 7% van de vrouwen had voornamelijk homoseksuele contacten.
4% zowel bij de mannen als bij de vrouwen noemde zichzelf homoseksueel.

Het onderzoek van Evelyn Hooker dateert van 1957. Zij nam de proef op de som en vergeleek heteromannen met homomannen. Van beide groepen nam zij een reeks psychologische tests af en van elk individu stelde zij een psychologisch profiel op. Nadien vroeg ze aan experts om op basis van dit psychologisch profiel te bepalen wie een homoman en wie een heteroman was. Uiteindelijk bleek dat deze experts daartoe niet in staat waren. Op basis daarvan zei Evelyn Hooker dat homoseksualiteit geen klinisch fenomeen is en dat het niets met psychopathologie te maken heeft.

Het zal nog een tijdje duren voor de American Psychiatric Association homoseksualiteit als mentale stoornis uit de DSM haalt. Dat gebeurt pas in 1973. De Diagnostic and Statistical Manual for Mental Disorders is vandaag nog hét basisinstrument voor psychiatrische hulpverleners.

Een andere belangrijke onderzoekster is Mary Mackintosh die in 1968 publiceerde over de homoseksuele rol. Het is de eerste keer binnen de literatuur dat er het onderscheid gemaakt wordt tussen ‘homoseksueel gedrag' en de ‘homoseksuele rol'.
Zij stelde deze homoseksuele rol vast omdat elke samenleving homoseksueel gedrag in een bepaalde interactievorm gaat organiseren. Het onderscheid dat zich hier begint op te dringen is het verschil tussen mannen en vrouwen die seks hebben met iemand van hetzelfde geslacht of mensen die zich daadwerkelijk gaan identificeren en er een aantal andere culturele kenmerken aan vastkoppelen. De homoseksuele rol kan men dan zien als het ontstaan van een holebi-identiteit. Iets wat men is en waaraan de samenleving een aantal andere aspecten, waarden of normen aan vastkoppelt.
Mary Mackintosh situeert het ontstaan van deze homoseksuele rol in de 17de eeuw in Engeland. Deze rol was aanvankelijk vooral negatief ingevuld en in verband gebracht met pedofilie en met verwijfde mannen die als zwak werden aanzien.

In 1994 hebben Laumann en zijn collega's dat onderscheid nog meer gediversifieerd en kwantitatief onderzocht. Zij maakten een onderscheid tussen gedrag, verlangen en identiteit. a) Gedrag van daadwerkelijke seksualiteit tussen partners van hetzelfde geslacht. b) Het verlangen dat men kan hebben maar daarom niet altijd moet beleven of concreet maken in gedrag. c) de identiteit; uzelf daadwerkelijk identificeren als een homo, lesbienne of biseksueel.
Slechts bij 24% van de mannen en bij 15% van de vrouwen vallen de 3 dimensies samen.
Bij 44% van de mannen en 59% van de vrouwen was er verlangen maar geen gedrag of identiteit.

Een aantal verklaringen voor hoe die identiteit of die homoseksuele rol is kunnen ontstaan, geven ook een belangrijk inzicht (Löfström 1997).
De homoseksuele rol ontstaat vooral wanneer de industriële, kapitalistische samenlevingen zich beginnen te vormen. Waar in de prekapitalistische samenleving broederschap tussen mannen heel belangrijk was, wordt bij het inzetten van het kapitalisme vooral de competitie tussen mannen een waarde in de samenleving die dan ook een invloed zal hebben op de seksualiteitsmoraal bij de bourgeoisie.
Het gaat vaak samen met het ontstaan van expertkennis, controlesystemen en moderne bureaucratieën. Foucault legt duidelijk de link tussen de controle die een staat wil uitoefenen op zijn burgers en de controle van seksualiteit. De overheid zag de burgers als een vorm van kapitaal zowel op economische vlak als op gebied van nationalistische waarde, als op vlak van een legereenheid. Homoseksualiteit, die niet in teken stond van de voortplanting en voor de staat dus niet veel opleverde, was op zijn minst niet aan te moedigen.
Een ander element is het wijzigen van de geslachtsrollen. In de prekapitalistische of een agrarische samenleving deden mannen en vrouwen vaak hetzelfde werk op het veld. In die zin was de rol tussen mannen en vrouwen hetzelfde, de samenwerking tussen man en vrouw was heel belangrijk. Bij het ontstaan van het kapitalistische systeem is er een splitsing: de man wordt de kostwinner, diegene die gaat werken en krijgt de functionele rol toebedeeld, terwijl de vrouw naar de haard verwezen wordt en de socio-emotionele rol krijgt toebedeeld en vooral voor het gezin en de kinderen moet zorgen. Er komt een belangrijk onderscheid of een dichotomie tussen mannen en vrouwen.
Een ander belangrijk gegeven is de verstedelijking die zich inzet en die meer kansen geeft voor anonimiteit. Er was minder sociale controle. Door het kapitalistische systeem kon men ook alleenverdiener zijn en werd het steeds meer getolereerd in de samenleving dat men niet gehuwd was. Zo ontstaat er ruimte voor een bepaalde holebi-subcultuur.

Vandaag wordt onze samenleving getypeerd al postmodern, postmaterialistisch en postindustrieel.
In onze welvaartssamenleving zijn geen grote verschillen meer tussen de sociale klassen en in een dergelijke samenleving worden waarden erg individualistisch. Zelfrealisatie en zelfontplooiing worden heel belangrijke waarden.
Seksualiteit wordt binnen de samenleving losgekoppeld van de voortplanting. De socioloog Anthony Giddens schreef in zijn boek ‘Transformation of Intimacy' dat seksualiteit binnen de samenleving wordt gezien als iets wat enkel en alleen genot oplevert en voor de rest niet meer functioneel is naar de voortplanting toe.
Het wordt niet meer getolereerd dat de overheid of de Kerk pogingen doen om op het private in te grijpen. Holebiseksualiteit wordt individualistisch ingevuld wat niet betekent dat hierover geen discussie meer mag zijn.

De evolutie in Vlaanderen

Evolutie in de attitudes

Kwantitatieve data zijn heel schaars, er zijn geen longitudinale data d.w.z. data die elk jaar consequent opnieuw bevraagd worden, toch niet op Vlaams niveau, wel op Europees niveau.
Er is in ieder geval een consensus, zowel op Vlaams als op Europees niveau, dat het klimaat stilaan verbetert.
De eerste grote bevraging van holebi's in Vlaanderen is die van Vincke & Stevens in 1999.
Er is het scholierenonderzoek van prof. Pelleriaux in 2003, waarbij 40 000 scholieren bevraagd zijn.
Mevrouw Corijn van het Centrum van Bevolkings- en Gezinsstudie (CBGS) heeft een aantal zaken gepubliceerd over de attitude van de Vlaming t.o.v. o.a de openstelling van het huwelijk (2004).

Survey van Vincke & Stevens   Hoe zit het met de evolutie van de aanvaarding? Het is een bevraging die bij holebi's zelf gebeurd is. Hieruit blijkt dat mannen zich als de zwaarst gediscrimineerde groep beschouwen. Maar de meerderheid, zowel bij mannen (70%) als bij vrouwen (60 à 70%), is het erover eens dat het gemakkelijker wordt.  
Op welke leeftijd doen mensen hun ‘coming out'? Deze cijfers geven aan in welke mate de maatschappelijke acceptatie voldoende groot is om met de seksuele voorkeur naar buiten te komen.
In 1989 doet de grootste groep (41%) mannen een coming out tussen 20 en 24 jaar. In 1999 is de grootste groep, zowel voor mannen als voor vrouwen, die een coming out doet tussen 16 en 19 jaar.
Dit is een belangrijke vaststelling, niet alleen m.b.t. acceptatie, maar ook m.b.t. het feit dat een aantal groepen van mensen meer geconfronteerd worden met dit thema vb. in het onderwijs en het gezin.
Hoe staat de Vlaming tegenover gelijke rechten voor holebi's?
Mogen holebi's huwen? 54% van de mannen vindt dat holebi's wel mogen trouwen. Bij de vrouwen ligt dat percentage aanzienlijk hoger nl. 75%. Het is klassiek dat vrouwen een meer tolerante houding hebben t.o.v. holebiseksualiteit.
Mogen kinderen opgevoed worden door een lesbisch koppel? 39% van de mannen en 53% van de vrouwen vindt dat dit kan. Mogen homo's dat doen? Dat ligt blijkbaar iets moeilijker. 54% van de vrouwen vindt van wel, bij de mannen is dat 35%.
Mogen homoseksuele paren trouwen? Deze vraag werd voorgelegd voor het huwelijk opengesteld werd. De meningen zijn mooi verdeeld. 1/3 vindt van wel, 1/3 vindt van niet en 1/3 heeft hierover geen uitgesproken mening.
Kunnen twee vrouwen net zo goed kinderen opvoeden als een vader en een moeder? 38% van de Vlamingen vindt van wel, 36% vindt van niet.
Mogen twee mannen samen kinderen opvoeden? De percentages liggen hier wat lager. Slechts 30% gaat hiermee akkoord.
53% van de Vlamingen vindt dat een alleenstaande vrouw kinderen mag krijgen en ze alleen mag opvoeden. Dit is een belangrijk contrast omdat men uit onderzoek weet dat kinderen uit éénoudergezinnen aanzienlijk meer risico's lopen. Voor holebi's hebben dergelijke onderzoeken dit nog niet kunnen aantonen.

Holebi-onderzoek

In Vlaanderen wordt men vooral geïnspireerd door de Amerikaanse onderzoeksliteratuur omdat die uitgebreider is. Men vindt er gemakkelijker kwantitatieve data. Men gaat ook kijken naar de Nederlandse onderzoeksliteratuur. Vlaanderen maakt op gebied van onderzoek een grote inhaalbeweging.
Er zijn een aantal methodologische problemen bij holebi-onderzoek. Dit heeft te maken met het onderscheid tussen gedrag, verlangen en identiteit. Wie is de doelgroep? Wie zijn de holebi's in de samenleving? En kan men die wel bereiken als men beseft dat holebi's grotendeels een ‘verborgen populatie' zijn? Enkel diegenen die zich outen kan men in het onderzoek bereiken. Men kan dan vragen stellen over de diversiteit en de representativiteit van dergelijke steekproeven. Maar er zijn technieken om die diversiteit zo groot mogelijk te maken.

Welke zijn de knelpunten die traditioneel in de literatuur altijd geassocieerd worden met holebiseksualiteit?
Een belangrijke term is ‘heteronormativiteit'. Holebi's groeien op en leven in een samenleving die vooral gericht is op heteroseksualiteit. Dit betekent dat men heel wat vragen heeft wanneer men homoseksuele gevoelens bij zichzelf ontdekt. In dat kader spreekt men over minderheidsstress of ‘minority-stress'. Het feit dat men tot een minderheidsgroep behoort, geeft op gebied van psychisch welzijn een bepaalde vorm van stress. Een andere vaak voorkomende term is ‘stigma-management'. Dit betekent dat holebi's leren omgaan met het stigma en met een coming out-proces. Het is niet omdat men één keer een coming out heeft gedaan dat dit proces stopt. Bij elke nieuwe tewerkstelling, bij elke nieuwe vriendengroep of mensen die men leert kennen moet een holebi steeds afwegen of hij het al dan niet vertelt. Heel wat holebi's gaan dan negatief anticiperen, en houden hun seksuele voorkeur voor zich, uit angst voor negatieve consequenties. 1/3 van de holebi's anticipeert soms negatief en 1/10 doet dit dikwijls. Een ander gevolg dat geassocieerd wordt met het opgroeien in een heteronormatieve samenleving bestempelt men als een ‘geïnternaliseerde homonegativiteit'. Dit betekent dat men als holebi een aantal negatieve waarden en normen of veroordelingen in de samenleving gaat eigen maken.

ZZZIP-survey

Het is een survey van de universiteit Gent, van de vakgroep sociologie. Het IPB krijgt de resultaten als een primeur. Het is een verderzetting van de survey uit 1999 toen voor het eerst op grote schaal holebi's bevraagd werden. Men beschikt nu over meer financiële middelen via subsidies van de Vlaamse overheid en via het bijzonder onderzoeksfonds. Daardoor kon men een grote promotiecampagne doen, met een online survey en tegelijkertijd met papieren enquêtes om de diversiteit en de representativiteit (lesbiennes, oudere holebi's) zo groot mogelijk te houden.
Het was een heel lange enquête met diverse onderwerpen.

Resultaten

Depressie
Vergeleken met heteroseksuele leeftijdsgenoten hebben holebi-jongeren, jonger dan 27 jaar tweemaal zoveel kans om een depressie te ontwikkelen.
Bij holebi's ouder dan 26 jaar is het minder dramatisch en hebben 10% nog meer kans op een depressie.
Vrouwen en lager opgeleiden zijn een kwetsbare groep.

Biseksualiteit
T.o.v. 1997 zijn er nu meer biseksuelen. Het is een identiteit die meer uitgedragen wordt dan vroeger omdat men nu de flexibiliteit en de diversiteit naar buiten wil brengen eerder dan het ‘men is zo of zo'.
Biseksuelen zijn minder open over hun seksuele voorkeur, ze zijn zich minder bewust van het stigma over homoseksualiteit en scoren hoger op geïnternaliseerde homofobie.

Groepsidentiteit
Holebi's voelen zich meer deel van de holebigemeenschap dan van de heterogemeenschap.
Hoe ouder holebi's, hoe sterker de holebigroepsidentiteit. Oudere holebi's klampen zich daar meer aan vast omdat zij uit een sterker gestigmatiseerd klimaat komen. Bij het coming out-proces komen jonge holebi's bij het ouder worden meer in het reine met hun seksuele voorkeur waardoor die holebigroepsidentiteit minder belangrijk wordt en de heterogroepsidentiteit aan belang wint. Men komt tot een soort synthese, een evenwicht tussen de twee gemeenschappen.
Hoger opgeleiden hechten meer belang aan het zich deel voelen van een heterogemeenschap.

Met betrekking tot het psychische welzijn leidt een sterkere holebigroepsidentiteit tot een grotere openheid over seksuele voorkeur en een lagere geïnternaliseerde homofobie.
Een sterkere heterogroepsidentiteit leidt tot minder fysieke en sociale beperkingen maar tot een hogere geïnternaliseerde homonegativiteit. Hoe meer men zich inschakelt in een heterosamenleving, hoe meer negatieve aspecten en vooroordelen men zelf gaat overnemen.

Geïnternaliseerde homonegativiteit
Jongeren en mannen hebben er meer last van.
Hoe meer de holebi's er last van hebben, hoe minder de openheid over hun seksuele voorkeur, hoe vaker ze last hebben van depressies en hoe meer zij bewust zijn van het stigma in de samenleving.

Hoe denken de holebi's over de maatschappelijke reactie en wat met het stigmabewustzijn?
Ondanks maatschappelijke of juridische veranderingen ervaren mannen de houding van hetero's t.o.v. holebi's negatiever dan 7 jaar geleden. Bij vrouwen was er geen verschil.
Hoe negatiever de maatschappelijke perceptie, hoe meer depressie, hoe hoger het stigmabewustzijn en hoe meer geïnternaliseerde homofobie.
41% van de holebi's vindt dat hetero's hen veroordelen, maar bijna 60% vindt dat hetero's niet op een andere manier met hen omgaan.
Stigmabewustzijn gaat samen met meer depressie, meer geïnternaliseerde homonegativiteit en meer sociale beperkingen.

Werksituatie
2,6% werd ooit ontslagen omwille van de seksuele voorkeur, 7% heeft een vermoeden dat dit ooit zo was.
3% werd niet aangenomen en 8% heeft dat vermoeden.
Wat de werksfeer betreft liggen de cijfers echter hoger: iets meer dan 20% ervoer het laatste jaar negatieve reacties op de seksuele voorkeur. Dit is ook vaker het geval bij lager opgeleiden.
Op dit vlak hebben zich de voorbije 7 jaar geen wijzigingen voorgedaan.

Sociale ondersteuning
Aan wie schenkt men het meeste vertrouwen als men een algemeen probleem heeft vb. als men zich depressief voelt? De holebi's vinden vrienden en de partner hiervoor het belangrijkste (50%). De moeder komt op de tweede plaats (24%), gevolgd door broers of zussen (21%). De collega's komen op de vierde plaats (17%), de vader komt laatst (9%).
M.b.t. holebi-specifieke problemen gaat men in de eerste plaats naar de holebivrienden (59%) en naar de partner (46%). De heterovrienden komen op de derde plaats (44%), gevolgd door broers of zussen (20%). Bij de ouders ligt dit blijkbaar nog altijd moeilijk want dan pas komt de moeder (19%), dan de collega's (14%) en als laatste komt hier weer de vader (8%).

Sociaal netwerk
Holebi's voelen zich minder verbonden met hun huishouden, hun familie, vrienden en buren, met hun collega's of medestudenten in vergelijking met hetero's. Enkel m.b.t. vriendschap was er geen verschil. Dit is niet verwonderlijk want de vrienden of vriendinnen zijn de mensen die men zelf kiest.
Holebi's blijken vaker geen vertrouwenspersonen te hebben in vergelijking met hetero's. Bij mannen 7% in vergelijking met heteromannen 2%. Bij vrouwen 4% t.o.v. heterovrouwen 2%. Dit is een belangrijk gegeven, want het niet hebben van vertrouwenspersonen is een indicatie dat men in tijden van problemen ernstig risico loopt om met die problemen slecht of niet te kunnen omgaan. Holebi's hebben minder vertrouwenspersonen dan hetero's.
Bij holebi's staan vrienden en vriendinnen centraal in het vertrouwensnetwerk terwijl familie duidelijk een belangrijkere rol speelt in het vertrouwensnetwerk van de hetero's.

Voorlopige conclusies
Holebi-jongeren vormen een belangrijke risicogroep. Dat bleek in het verleden al n.a.v. suïcide cijfers bij holebi-jongeren. Jongens maken dubbel zoveel kans om een poging te ondernemen, bij meisjes is dat zelfs vijf keer zo hoog.
Mannen vinden dat het klimaat er op achteruit gaat. Dit is verrassend.
Het is opvallend dat de vader en de familie in het algemeen een minder belangrijke rol spelen in het vertrouwensnetwerk. Ook al valt men terug op vriendschapsrelaties, toch blijkt dat vertrouwensnetwerk ‘armer' te zijn, want ze hebben minder vertrouwenspersonen of ze hebben er vaker geen.

Forum 11 maart 2006